Blogpost door Martin Hordijk
Op feb 22, 2019
LiveMarvelouz
Met de vlam in de pijp
0
(0)

Met een houten hoofd word ik de volgende ochtend wakker. Deze plek aan het water is absoluut mijn favoriet, maar in het weekend wordt er blijkbaar ook graag een ‘feestje’ gevierd op de parkeerplaats waar ik sta. Daar waar de auto stond die me vannacht uit de slaap hield liggen nu als dank lege flessen en bierblikjes. Nadat ik ze heb opgeruimd rijd ik de bus terug naar een grote parkeerplaats aan de rand van Dénia. Hier heb ik een groot deel van de afgelopen week ook gestaan. Het stof vormt geen groot probleem zolang het niet hard waait en het gebrek aan privacy kan ik oplossen door de bus een beetje schuin in een hoek te parkeren. Hierdoor kan ik achter de bus in het zonnetje zitten met uitzicht op de Montgó en uit het zicht van de overige geparkeerde auto’s. Als ik de camper weer op zijn ‘vaste’ plekje heb staan pak ik een half stokbroodje uit de vriezer. Ik hoef het alleen maar even op te warmen in onze geweldige ‘oven-pan’ om een heerlijk warm en vers broodje te kunnen eten, zonder eerst naar de winkel te hoeven. Als ik de oven-pan uit de lade wil pakken zie ik dat de glazen deksel in duizend stukjes ligt, verspreid tussen de overige keukenattributen. De deksel moet gesneuveld zijn tijdens een van de ritjes van afgelopen dagen. Waarschijnlijk door een verkeersdrempel die ik te laat opgemerkt heb, waardoor de achterwielen en het gewicht van de hele camper met geweld weer op het wegdek dreunden. Ik ruim de troep op en zet een pannetje water op voor een kopje thee. Het stokbroodje laat ik ontdooien op de deksel van het pannetje. Als ik even later mijn tanden zet in het prima verse stokbrookje komt de man van de camper verderop me opzoeken. Hij heeft zijn fiets bij zich en vraagt me, in gebroken Engels, of ik Engels spreek. Heel eigenwijs antwoord ik: “Si te quires!”. Ik veronderstel dat hij Spaans is en dat het voor hem dus makkelijker is om gewoon Spaans tegen me te praten. De man kijkt me niet begrijpend aan. Hij gaat verder in het Engels en voorkomt dat ik een nog grotere blunder bega. Hij is geboren en getogen in Groot Brittanië. Hij vraagt me (zijn Engels klinkt nu ineens ook veel Engelser) of ik weet waar het ziekenhuis is. Ik kan het hem vertellen omdat ik er afgelopen zomer zelf nog ben geweest. Ik had de afgelopen jaren al meerdere keren een niersteen aanval gehad, maar toch duurde het erg lang voordat ik deze aanval ook als zodanig herkende. Aanvankelijk uitte het zich nog als een hele heftige rugpijn. Later, toen ik van de pijn over de grond van het toiletgebouw kroop, smeekte ik Lisa me naar het ziekenhuis te brengen. Toen we eindelijk een arts zagen was de aanval alweer voorbij. Toch moesten we nog de hele nacht en een deel van de volgende dag in observatie blijven. We misten een hele dag op de taalschool. Ik hoop maar voor mijn Engelse buurman dat het hem beter zal vergaan.

’s Middags wandel ik naar een camperwinkel omdat ik (eindelijk) een hoes wil kopen die ik over de fietsen kan doen wanneer ze achterop de bus staan. Zo’n hoes gaat hopelijk voorkomen dat ‘kwaadwillenden’ ongevraagd stukjes fiets meenemen. Ik hoop ook dat de hoes de fietsen tegen de weersinvloeden kan beschermen en voorkomt dat de zilte lucht te veel vat krijgt op de niet roestvrije delen. De hoes die ik nodig heb moet aan de achterkant wel open zijn, omdat de fietsen daar worden vastgemaakt aan het fietsrek. Ik probeer dit, in mijn beste Spaans, uit te leggen aan de verkoper. Hij lacht ter geruststelling en bevestigt me dat deze hoes aan de achterzijde helemaal dicht is… Maar dat wil ik juist NIET! Ik leg opnieuw uit dat de hoes open moet zijn aan de achterkant. De verkoper stelt me opnieuw gerust en herhaalt dat de hoes aan de achterzijde helemaal dicht is. Als ik enigszins hopeloos begin te kijken stelt hij voor om de hoes uit de verpakking te halen. De onder- en achterzijde zijn voorzien van elastiek en ik besluit de gok te wagen. Als ik weer bij de camper ben en de hoes uitprobeer blijkt deze perfect te passen. Ik heb al een week niet gefietst en ik stel droevig vast dat de fietsen er hopeloos verwaarloosd uitzien. Ze zijn rood van het stof, wit van het zout en bruin van de roest. Maar wat ik eigenlijk nog veel droeviger vind is dat ook onze bijna 40 jaar oude bus duidelijk te lijden heeft gehad van de zilte zeelucht. Op een aantal plekken komt de roest lelijk aan de oppervlakte.

Zondag begint volledig bewolkt. Van mijn studiegenootje Carlo heb ik begrepen dat de weersystemen hier en in Nederland omgekeerd evenredig met elkaar verbonden zijn. Zodra het in Nederland mooi is, is het weer hier minder. Na het rennen bedenk ik dat ik naar de top van de Montgó wil wandelen. Lisa en ik hebben samen, aan het begin van onze ‘sabbatical’, al een poging gedaan om vanuit Dénia naar boven te wandelen. Natuurlijk kende Lisa de route omdat ze er al een keer eerder was wezen rennen. We begonnen toen pas aan de wandeling tegen de tijd dat de zon al bijna achter de berg verdween. Toen het té fris werd om verder te gaan keerden we weer om. Vandaag lijkt er geen enkele kans te zijn dat ik de zon zal zien. De top van de Montgó hult zich in een dikke laag wolken. Ik trek mijn wandelschoenen aan en haal mijn jas tevoorschijn. Op mijn wandel-app bereken ik de kortste route naar de top. Geweldig, hoe deed men dat vroeger? De eerste drie kilometer van de route blijkt echter langs een drukke weg te voeren. Omdat ik nog maar nauwelijks ben gestegen maak ik me al wat zorgen over het laatste deel naar de top. De totale stijging van mijn route bedraagt zo’n 750 meter en dus zal het de laatste kilometers flink klimmen worden. Dat is heel anders dan de vorige keer met Lisa, toen we gewoon konden wandelen. Inmiddels loop ik tussen de huizen in een van de woonwijken aan de voet van de berg.

De route slingert heen en weer, maar boven me meen ik al een tijdlang het pad te zien waar ik volgens de wandel-app uit moet komen. Wat ik echter ook probeer, alle potentiële ‘short cuts’ die ik op mijn kaartje zie blijken onvindbaar, of ze lopen dood in omheinde achtertuinen. Bij een riante villa besluit ik mezelf toegang te verschaffen tot de achtertuin. Op de digitale kaart is duidelijk te zien hoe een van de rode stippellintjes precies hierlangs loopt en naar het bredere wandelpad boven mij voert. Omdat het hangslot, dat het hek afsluit, niet dicht zit kan ik het eenvoudig weghalen en even later loop ik wat onwennig door de achtertuin van de villa. Een honderd meter verder verspert een tweede afgesloten hek mij alsnog de doorgang. Direct daarachter rijst de Montgó op als een kaarsrechte wand. Om het 25 meter hoger gelegen bergpad te bereiken zal ik dus het steile pad moeten beklimmen. Terwijl ik mijn kansen inschat protesteren de spieren in mijn kuiten heftig en ongevraagd. Ze lijken duidelijk te willen maken dat stevig wandelen na het rennen misschien niet de meest optimale dagbesteding is. Ik loop weer terug en probeer het verderop nog een paar keer, maar ik heb geen geluk. Na een half uurtje houd ik het helemaal voor gezien. Ondertussen vermaak ik me prima: ik maak foto’s en geniet van de verscheidenheid aan tuinen en tuintjes. Sommige huizen zijn meer dan duidelijk in geen jaren bewoond geweest. Al wandelend vult het programma voor mijn middagbesteding zich. Ik wil weten of er ook betaalbare huizen te koop worden aangeboden in dit deel van Dénia. Als ik weer in de buurt ben van de camper zie ik een bord dat de wandelroute naar de top van de Montgó aangeeft. De pijl wijst helemaal niet in de richting waar ik vandaan kom. Doordat de zon ongetwijfeld in Nederland is en er hier in Dénia een harde wind staat zit ik de rest van de middag in de bus. Met een kop thee besteed ik mijn tijd aan het zoeken naar vastgoed aan de voet van de Montgó.

Maandagochtend is het nog steeds bewolkt. Het voelt nog koud aan als ik naar de taalschool loop. In de nieuwe cursusgroep ligt het niveau van mijn medecursisten dit keer een stuk hoger dan dat van mij. Drie van hen wonen al geruime tijd in Dénia. Twee Russische deelnemers spreken goed, maar vooral erg snel Spaans. Het overgrote deel van wat ze zeggen ontgaat me. De aanvoegende wijs ‘El subjuntivo presente’, het thema van deze week, is niet nieuw voor de anderen. De uitleg van Beatrice gaat mij te snel. Ik begrijp geen van de voorbeelden en tijdens het oefenen gaat mijn hoofd langzaam op slot. In de pauze leg ik Beatrice uit dat het tempo te hoog ligt voor mij. Beatrice luistert geduldig, maar heeft niet echt een oplossing. Ik zou kunnen wisselen van groep. Maar de groep in kwestie behandelt een thema dat nota bene al twee keer heb gehad. Toch kies ik ervoor me aan te sluiten bij deze andere groep. Voor de derde week achtereen ga ik bezig met het thema ‘Preterito imperfecto’. Het blijkt een groep met jongeren te zijn. En het voelt alsof ik van het ene op het andere moment een aantal klassen omlaag ben gezet. Ik zit weer in de brugklas. Ik houd mezelf voor dat mijn ‘switch’ de beste keuze is, maar als Beatrice me de volgende morgen vraagt of mijn keuze goed heeft uitgepakt ziet ze aan mijn gezicht al dat ik er niet blij mee ben. Even later sta ik met Beatrice de resterende opties af te wegen. We spreken af dat ik de week op een later moment kan inhalen met een groep van hetzelfde niveau. Als ik daarna de straat weer oploop, in de richting van de camper, realiseer ik me dat ik het doel van mijn verblijf in Spanje ineens kwijt ben. Het voelt leeg aan. Ik bel met Lisa om deze nieuwe situatie met haar te bespreken, maar ik kan haar niet bereiken. Bij de bus aangekomen heb ik een besluit genomen. We hadden afgesproken dat ik na de laatste cursusdag, op vrijdagmiddag, met de camper weer terug naar Nederland zal rijden. Het is nu dinsdagochtend, maar de rest van de week zal het weer niet opklaren en ik zie niet in waarom ik nog tot vrijdag zou wachten. Het komende uur ben ik bezig met het herpakken van de bus en om half elf rijd ik de parkeerplaats af.

Onderweg probeer ik Lisa nog een aantal keren via Whats-app te pakken te krijgen. Ook die avond heeft ze nog een afspraak waardoor we elkaar pas om half tien ‘s avonds aan de lijn hebben. Trots vertel ik Lisa dat ik onderweg ben naar huis. Ik ben dan in de buurt van Tarragona, een kleine 400 kilometer noordelijker. Maar na het gesprek ben ik teleurgesteld. Ik had gehoopt dat Lisa enthousiast zou reageren op mijn vervroegde komst en begrip zou hebben voor mijn keuze om te stoppen met de cursus, maar haar verbaasde en gereserveerde reactie bevestigen bij mij het gevoel gefaald te hebben. Ik voel me een opgever. Ik heb me niet aan de afspraak met Lisa gehouden en had de cursusweek gewoon moeten afmaken.

Op woensdag doe ik het rustig aan. Na ongeveer 500 kilometer stop ik in het modderig gehuchtje ‘La Cavalerie’, iets ten zuiden van Millau. Onder een lantaarn op een ieniemienie pleintje voor ‘la Mairie’, het gemeentehuis, vorm mijn bus het lichtend middelpunt van het dorp. Ik slaap onrustig en als ik weer wakker word zijn mijn ogen plakkerig van de slaap. Met moeite zie ik een vage streep licht onder het gordijntje uitkomen. Ik klauter uit bed en zet op de tast in het donker de boiler aan. Om me te kunnen douchen zal ik nog een kwartier geduld moeten hebben. Het is koud en ik buk me om de kachel aan te kunnen steken. Maar in mijn slaap moet de ruimte in de bus, zonder mijn medeweten, zijn geslonken want ik stoot hardhandig mijn hoofd tegen de scherpe rand van de kast. Ik kruip snel terug in bed en dan zie ik op mijn telefoon dat het nét voorbij drie uur in de ochtend is. Als ik het gordijntje omhoogschuif zie ik dat ik nog steeds onder de lantaarn sta.

Ik kan de slaap niet meer vatten en om half vijf rijd ik het gehuchtje weer uit. Als het een paar uur later dan eindelijk langzaam licht begint te worden rijd ik tussen de sneeuwvelden door. Het is inmiddels zo koud geworden dat ik besluit te stoppen voor een extra paar sokken en mijn warme wandelschoenen. Met een deken over mijn benen rijd ik de rest van de ochtend verder. In gedachten overweeg ik om mijn reis nog een paar dagen te verlengen, dan kom ik tóch nog op de afgesproken tijd terug in Nederland, maar hoe langer ik erover denk, hoe onzinniger het me lijkt. Tegen de middag stop ik om koffie te zetten. De zon schijnt inmiddels volop en het is zo’n 17 graden geworden! Toch gun ik me geen tijd om even buiten te zitten. Volgens mijn navigatie-app kan ik om tien uur vanavond ‘thuis’ zijn. En dat ‘thuis’ trekt nu enorm! Bijna zonder stoppen rijd ik, in ruim 19 uur, meer dan 1100 kilometer. Het is bijna middernacht als ik de camper het erf op rijd van Lisa’s oppasboerderij in Lienden. Na bijna vier weken is het heerlijk om elkaar weer te zien en vast te kunnen houden. Die nacht zijn er geen zandstormen of stelende jongeren en ik slaap als een roos in de oppasboerderij.

Wat vind je van deze post?

Klik op een ster om dit verhaal te beoordelen!

Omdat je dit bericht interessant vond...

Deel dit verhaal op jouw sociale media!

Martin Hordijk

Bootleven

Dit is een serie verhalen over het leven aan boord. Over hoe we het roer hebben omgegooid. Over Lisa en mij. Alledaagse situaties op een humoristische en soms gevoelige manier. beschreven. Op termijn hoop ik dat deze verhalen een geheel vormen en dat ik een vorm vind om ze te publiceren.

In deze reeks

Overige reeksen

5 Reacties
  1. Twan

    Zo dat was het dan weer terug in ollande. 👍

    Antwoord
  2. Jose

    🛵🚙 Welkom back.🤙

    Antwoord
  3. Marko

    En nu?

    Antwoord
  4. René

    Bikkel!! 👊👌

    Antwoord
  5. Marco

    Terug in NL, en nog steeds onderweg. Zeker ‘met de vlam in de pijp’. Even tijd voor de verdere plannen/planning!! Succes kanjers!!

    Antwoord

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

This site is protected by reCAPTCHA and the Google Privacy Policy and Terms of Service apply.