Blogpost door Martin Hordijk
Op feb 1, 2019
LiveMarvelouz
Una profesora muy rapida
0
(0)

Halverwege afgelopen week, toen Lisa en ik in Valencia een afspraak hadden op de universiteit, kreeg ik een mailtje van de taalschool in Dénia. Ik zou de aankomende week wel kunnen starten met de Spaanse lessen, maar de groep waarin ik dan terecht zou komen ligt één week achter op mijn niveau. Als ik dat wil kan ik ook een week later starten. Ik stuurde een berichtje terug dat ik liever in een groep zit op mijn eigen niveau. Maar toen Lisa en ik, gistermiddag bij het vliegveld, op een bankje zaten, realiseerde ik me dat ik eigenlijk helemáál niet zo graag alleen in Spanje wil blijven. Nog voordat Lisa haar koffers had gepakt miste ik haar al enorm. Ik denk dat ik mezelf daarin een beetje heb overschat. In gedachten zag ik mezelf, vrolijk en alleen, genietend van de zon naast de camper, en in dat plaatje miste ik niemand. Zittend op het bankje bedachten Lisa en ik hoe belangrijk het zou zijn om te zorgen voor een goede dagstructuur. De taalcursus was daarin behalve nuttig dus ook een noodzakelijk kwaad. Dus stuurde ik op zondagavond laat nog een mailtje naar de taalschool waarin ik vroeg of ik tóch al op maandagochtend zou kunnen aansluiten. Toen ik gisteravond in mijn eentje de bus parkeerde aan zee, was het alsof de hele kosmos in Dénia dit mini-drama, de tijdelijke ‘scheiding tussen Lisa en mij, wilde benadrukken. De golven bulderden, op slechts enkele meters afstand, op de rotsen en de wind gierde door de kieren van de bus. Ik was nu helemaal op mezelf aangewezen en dat moest even duidelijk worden gemaakt.

Nu ben ik wakker en lig ik al een uur te wachten. Gisteravond heb ik voor het slapen gaan nog een lijstje gemaakt waarin ik gedetailleerd heb vastgelegd wat ik vandaag allemaal wil doen. Als de wekker dan eindelijk gaat spring ik daarom gehaast uit bed. Ik kan toch moeilijk op de eerste dag van mijn solo-bestaan al verstek laten gaan? Maar tijdens het ontbijt komt het besef even hard binnen. Ik ben alleen en Lisa is er niet. Maar dan piept mijn telefoon. Ik krijg een eerste berichtje van vrienden om me een hart onder de riem te steken, dus zo alleen ben ik toch ook weer niet!

Mijn Spaanse klas deze week bestaat uit een groepje van maar drie studenten. Marketa is Tsjechische en Hannah komt uit Engeland. Ze wonen allebei in de buurt van Dénia. Onze docent is Lucia uit Valencia. Ik ken Lucia al een beetje want ze is stagiaire en heeft al eerder wat uurtjes voor de klas gestaan. Ik moet wel een klein beetje wennen want Lucia is erg associatief. Ze zegt alles wat ze denkt en ze gebruikt daarbij heel veel woorden, waarvan er tot dusver, nog maar een paar onderdeel zijn van mijn Spaanse woordenschat. Maar ik doe mijn best en ben betrokken: ik luister, ik vertel, ik stel vragen, ik suggereer en ik geef antwoorden. Als de les voorbij is ben ik uitgeput.

Ik loop het gebouw uit, de straat op. En dan ineens… voel ik me erg alleen. Het maakt niemand wat uit wat ik nu ga doen. En dus komt het er nu op aan, bedenk ik me dapper. Ik doe wat ik met mezelf heb afgesproken. Ik loop naar de supermarkt even verderop. Ik heb het boodschappenlijstje bij me dat Lisa gisteren nog voor me heeft gemaakt. Ik loop wel drie keer door de winkel met het lijstje, maar uiteindelijk vertrek ik met alleen een klein stokbroodje naar de camper. Hoewel het inmiddels niet meer stormt, waait het nog hard. Zo dicht op het water is het nog steeds niet erg comfortabel. In de camper noteer ik mijn uitgave: Boodschappen, 55 cent. Met een knoop in mijn buik eet ik mijn stokbroodje op. Ondertussen pak ik de doos uit die ik bij de taalschool heb gekregen. Het is de waterpomp die ik in Engeland heb besteld. Maar als ik hem even later vergelijk, met de pomp onder de motorkap, zinkt me de moed in de schoenen. Deze lijkt er niet eens op.

Om vijf uur haal ik de fiets van de bus en staande op de trappers, fiets ik naar het centrum. Bij de fietsenmaker leg ik, in mijn beste Spaans, uit hoe het komt dat onze zadels zijn verdwenen. De man moet lachen om het verhaal, maar zijn mededogen heb ik schijnbaar niet verdiend, want nadat ik heb afgerekend ben ik dertig euro lichter en heb ik niet twee, maar slechts één zadel, en dan ook nog een tweedehandsje. Maar ik kan weer zitten! Ik rijd verder naar de auto-onderdelenzaak en informeer bij de eigenaar of er ook sloperijen in de buurt zijn. Ik ben op zoek naar een waterpomp. Hij kijkt heel somber. “En Valencia, sí, ¿pero aquí en Dénia?” Hij adviseert me daarom om maar eens in Xàbia te vragen. Op de terugweg probeer ik het nog even bij een autogarage. De knecht lijkt welwillend. Een sloperij voor ‘camiones’ weet hij niet, maar hij wil wel weten hoe hoog en breed mijn bus is en of deze bij hen in de garage past. Maar als de baas zich er even later mee komt bemoeien verdwijnt bij mij elk sprankje hoop. Hij verwijst me naar een andere garage, maar ik heb even genoeg Spaans geoefend. Terug in de camper plak ik alle tochtgaten af met tape. ’s Avonds krijg ik het onverwacht druk in mijn eentje. Ik zit nagenoeg de hele avond te appen met vrienden en kennissen. Tussendoor bel ik nog met Lisa, die voor een paar dagen bij Marijne en Jessie is ingetrokken. Later deze week vertrekt Lisa naar haar eerste ‘oppashuis’. In Lienden gaat Lisa ruim drie weken in een verbouwde schuur wonen terwijl ze op de paarden, poezen en kippen past. Uiteindelijk rol ik moe in het veel te grote tweepersoonsbed. Ik vergeet zowaar een planning te maken voor morgen.

Toch sta ik de volgende morgen veel beter op. Ik heb eigenlijk wel zin in deze dag. Ik begin met een planning voor vandaag: boodschappen doen, eten, Spaans oefenen, rennen en een noodreparatie voor de waterpomp. Na de Spaanse les doe ik de boodschappen die op Lisa’s lijstje staan. Dit keer kan ik mijn hoofd erbij houden. Met een zware rugzak en mijn handen vol boodschappen loop ik drie kilometer terug naar de bus. Het is bewolkt maar de storm is nu helemaal over. Terwijl ik mijn broodje eet zoek ik op internet naar tips om de waterpomp tijdelijk te repareren. Ik trek mijn oude kleren aan en krijg het voor elkaar om, liggend in de meest onmogelijke houdingen, twee proppen in de waterpomp te slaan. Om te voorkomen dat de druk van het koelsysteem de proppen weer naar buiten zal drukken ga ik morgen ook nog proberen ze op hun plaats te fixeren. Ik ben blij dat ik mijn oude kleren heb aangetrokken, want na dit klusje zijn ze zo goed als rijp voor de afvalemmer. Mijn gezicht en armen zijn er niet veel beter aan toe.

Als ik later na het rennen weer terugkom bij de camper zie ik dat ik buren heb gekregen. Het zijn Fransen. Terwijl ik achter de bus aan mijn rek- en strekoefeningen begin zie ik hoe mijn nieuwe buurvrouw druk bezig is de directe omgeving van hun camper te fotograferen. Haar toestel hangt om haar nek, terwijl zij zelf tussen de camper en de afgrond bungelt om een spectaculaire foto te kunnen schieten. Dan draait ze om en komt langzaam op mij toe. Ze schuifelt vlak langs het randje, waaronder het zeewater gevaarlijk tegen de rotsen buldert. Ze loopt hun camper voorbij en staat dan pontificaal voor me. Ze wil op deze smalle richel ook nog achter me langslopen. Maar ik ben nét toe aan de volgende strech-oefening waarbij ik mijn armen krachtig om me heen laat zwaaien. De Française kiest eieren voor haar geld en loopt voorzichtig terug. Foto’s maken doet ze maar ‘thuis’.

’s Avonds zit ik opnieuw te zoeken op internet. Tijdens het rennen heb ik bedacht dat ik de proppen in de waterpomp misschien ook wel met een waterharde kit kan vastzetten. Maar ik lees een bericht waarin iemand vertelt dat het afsluiten van de waterpomp erg slecht is voor de lagers, hij waarschuwt voor alle mogelijke gevolgen. Slik… morgenochtend moet ik de proppen er dus meteen weer uithalen. Eigenlijk hoopte ik een beetje dat ik met deze noodoplossing wel gewoon terug naar Nederland zou kunnen rijden, maar die hoop is dus vergeefs.

De volgende morgen begeef ik me weer onder de auto. De proppen laten zich makkelijk verwijderen en waren uit zichzelf vast niet erg lang blijven zitten. Het is inmiddels half tien geworden. Normaliter zou de Spaanse les nu beginnen, maar ik heb me afgemeld. Ik heb om twaalf uur een afspraak in Xaló met Paco de ‘parejador’ (stadsarchitect) en met Luis, de eigenaar van het huis op de berg. Het is slechts zo’n dertig kilometer rijden, maar de route gaat wel door bergachtig gebied, en ik wil geen risico nemen door te laat te vertrekken. Als ik, ruim een uur te vroeg, in Xaló aankom bereid ik me voor door de vragen die Lisa en ik hebben bedacht alvast te vertalen naar het Spaans. Ik heb weliswaar met Mirjam, onze ‘gestor’, afgesproken dat ze via Whatsapp bij het gesprek zal aanhaken, maar het liefst wil ik de vragen zelf kunnen stellen. Daarna bel ik nog met de garage in Nederland, die de ruilmotor heeft ingebouwd afgelopen november. De eigenaar belooft me om een waterpomp te zullen zoeken, maar die belofte deed hij nét voor Oud en Nieuw ook al. Toen ik hem twee weken later belde om te vragen of er al voortgang was kon hij zich amper herinneren waarover het ging. Ik neem me voor hem voorlopig dagelijks te bellen en te vragen naar de vorderingen.

Bij het gemeentehuis komt Luis gelijktijdig met mij het plein opgelopen. Wij maken kort kennis, maar in het gemeentehuis is Luis duidelijk geen onbekende. Hij loopt ongevraagd kantoortjes binnen en gaat zelf op zoek naar Paco. Met iedereen wisselt hij wat grapjes en nieuwigheden uit. Tien minuten later zitten we dan toch in het kantoor van de stadsarchitect. Het kantoortje is amper twee bij drie meter. Zijn bureau, en ook alle hoeken en gaten die ik vanaf mijn stoel kan waarnemen, liggen vol met stapels documenten. Paco is iemand van weinig woorden. Wat hij zegt klinkt allemaal even monotoon. Als hij praat beweegt zijn mond niet of nauwelijks. Tijdens ons gesprek wordt Paco doorlopend gestoord. Zowel zijn mobiel als de vaste telefoon rinkelen onophoudend. Op die momenten dat Paco een gesprek beantwoord, neemt Luis het gesprek over alsof hij invallend stadsarchitect is. Zoals afgesproken is Mirjam vanaf het begin telefonisch aanwezig, toch doe ik mijn best zoveel mogelijk de regie over het gesprek te voeren. Mijn vragen gaan over wat wel en niet mogelijk is met het huis, maar ook met het enorme terrein op de berg. Zowel Paco als Luis stellen de zaken niet mooier voor dan ze zijn. Het komt erop neer dat we binnen in het huis voldoende vrijheid hebben, maar buiten mag er niets veranderd worden. Dan stelt Mirjam de hamvraag: of we ook mogen verhuren? Die vraag stond helemaal niet op mijn lijstje! In Carcaixent hadden we het nog wel gevraagd, maar daar was het geen enkel probleem! Het antwoord van Paco is volledig in zijn stijl: kort en bondig. “No”, klinkt het monotoom. Oeps… dan had dit gesprek dus een stuk korter kunnen zijn. Als we buiten staan vertelt Luis me nog, op bijna vertrouwelijke toon, dat hij het huis graag wil verkopen, en dat het huis zo zijn voordelen heeft: ik zal er nooit nieuwe buren krijgen. En het nadeel? Omdat het beschermd grondgebied is, mag je er niets. Hij gaat voor me staan en kijkt me indringend aan: “Pero nunca pidas permiso. Acepta la multa y dentro de diez años ya no se hablará de ello.” Ofwel: vraag nooit toestemming! Accepteer de boete en na tien jaar heeft niemand het er meer over. Ik vraag me af waarom hij dan al zo lang zijn huis niet heeft kunnen verkopen. Ik vertel Luis dat er voor mij een nóg groter bezwaar is, namelijk dat ik het huis niet mag verhuren. Hij brengt er niets tegenin. We nemen afscheid. Het lijkt me niet dat Luis er verder erg mee zit.

Op de terugweg naar Dénia stop ik bij Repsol en koop ik een munt voor de 14 kilo wasautomaat. Terwijl de machine zijn wasje draait, ontdoe ik de ruiten van de camper van het zeezout. Het is vandaag prachtig weer, maar door de ruiten van de bus zag de wereld er mistig uit. De plek die ik in gedachten heb voor vannacht is nog nieuw voor me. Het is een parkeerplaats op het strand, achter een restaurant. Aan het begin van de parkeerplaats staat een groot bord dat kamperen verbiedt, maar dat geldt dan toch zeker niet voor de ruim tien campers die keurig in een rijtje op de zandparkeerplaats staan. Het ziet er minder aantrekkelijk uit dan de bijna-privéplek die ik afgelopen dagen tot mijn beschikking had. Ik parkeer haastig naast het laatste voertuig in het rijtje, want de volgende camper heeft zich achter mij al aangediend.

Terwijl ik word gadegeslagen door mijn Duitse buurvrouw die op haar stoeltje op het strand zit hang ik alle was op. Binnenin de camper. Het is een ongeschreven regel dat je bij het ‘vrij kamperen’ geen ‘kampeergedrag’ vertoont. Dat betekent dus niet je luifel uitvouwen, niet je tafeltjes en stoeltjes buiten zetten en zeker niet je was buiten ophangen. Ik ben dus een flink tijdje bezig om binnen in de camper alle was van een eigen droogplekje te voorzien, maar het is heerlijk warm en zonnig, en doordat ik de ramen en deuren tegen elkaar open zetten kan is de was toch snel droog. Als ik dan eindelijk toch buiten wat kampeergedrag wil gaan vertonen, ik heb mijn stoeltje een paar meter naast dat van mijn buurvrouw uitgevouwen, komt mijn nieuwe buurman van de andere kant een praatje met me maken. Hij is Duits en reist ook alleen. Hij vertelt dat zijn vrouw ziek thuis is gebleven en dat hij hier een vriend gaat bezoeken. Het lijkt erop dat hij er vandaag niet meer op uit hoeft te trekken, want even later komt een grote four wheel drive de parkeerplaats opstuiven, en krijgt hij bezoek van een Duits stel, dat hij lange tijd niet gezien lijkt te hebben. Ze vertrekken echter net zo snel als dat ik ze zag komen.

Als ik de vaat van het avondeten aan het afwassen ben wordt er beschaafd aangeklopt. Voor mijn camperdeur staat een politieagent. Hij vraagt of ik weet dat je hier niet mag overnachten. “¿No?”, vraag ik quasi verrast. Hij vertelt me dat ik voor nu mag blijven staan, maar morgenavond moet ik weg zijn. Voordat ons gesprek voorbij is komt mijn Duitse buurman aanhollen en vraagt me of ik wil vertalen wat de agent me heeft verteld. Ik vertel het hem, dit keer in het Engels. Als ik ben uitgesproken knikt de agent ons toe, “¿Entendéis?” Ja, we begrijpen het. Mijn buurman knikt timide. Dan loopt de agent naar de laatste camper in het rijtje. Als mijn buurman nu opschiet is hij nog net op tijd om de agent te woord te staan. ’s Avonds bel ik nog een uur lang met Marijne. We praten over haar werk, hoe het is in Spanje en over nog heel veel meer. Mijn buurman heeft zijn Duitse vrienden weer op bezoek en nog lang nadat ik onder de wol ben gekropen hoor ik ze geanimeerd praten.

De volgende ochtend voel ik me gehaast, omdat ik niet goed weet hoe ver het lopen is, vanaf hier naar de taalschool. Als ik even later de camperdeur achter me op slot doe zie ik, vanuit mijn ooghoeken, mijn buurman in zijn onderbroek in de deuropening van zijn camper staan. Een jongen staat voor zijn camper met hem te praten. Terwijl ik in de richting van de straat loop wordt er geroepen. Als ik me omdraai blijkt dat de jongen me achterna is gehold. In gebroken Engels wil hij weten of de grijze bus van mij is. “Yes, it is!” Ik kan zijn verhaal amper volgen, maar ik zie genoeg om de essentie te begrijpen. Naast mijn Duitse buurman staat nu nóg een andere camper. De Mercedes-bus staat vakkundig ingegraven in het mulle zand aan het einde van de parkeerplaats. Ik begrijp van de jongen, die vannacht moet zijn gearriveerd, en in het mulle zand vast is komen te zitten, dat hij wil dat ik mijn bus wegrijd. Op die manier heeft hij meer ruimte om zich uit het zand te laten trekken. Ik ben al lang blij dat hij mij niet vraagt hem eruit te trekken. Ik rijd de bus snel naar een vrije plek en haast me nu bijna rennend in de richting van de taalschool.

Als ik na de Spaanse les terugkom op de parkeerplek, achter het restaurant, staat er nog slechts een enkele camper. Toch verwacht ik dat het hier vanavond weer helemaal vol staat en dat de politie het weer net zo druk zal hebben. Voor de nieuwe nacht heb ik een paar opties in gedachten. Ik rijd eerst naar een grote parkeerplaats, aan de andere kant van Dénia, nét buiten het centrum. De parkeerplaats bevindt zich op een enorm terrein van rode aarde. Of beter gezegd: op het enorme braakliggende terrein, staan een 50-tal auto’s geparkeerd. Ik parkeer mijn camper aan de buitenzijde, met een prachtig uitzicht op de berg Montgó.

Die middag zit ik de spaken van mijn fiets schoon te maken. Door de zilte lucht zijn ze flink gaan roesten. Terwijl ik met een oude sok en poetsolie bezig ben word ik bijna uit mijn schoenen geblazen. In mum van tijd ben ik volledig rood van het stof. De wind is weer eens flink aangewakkerd en heeft hier vrij spel met de stoffige aarde. Even later zit ik weer binnen. De ruiten, die ik gisteren nog zo zorgvuldig schoon heb gemaakt, bieden nu uitzicht op een rode mistige wereld. Ik probeer na te gaan waarom ik me hier niet senang voel. De parkeerplaats is groot genoeg, maar mijn bus, met de fietsen achterop, torent flink boven de andere auto’s uit. Deze plek voelt heel onpersoonlijk en biedt me geen privacy. Even later rijd ik alweer verder op zoek naar een straatje waar Lisa en ik al een keer eerder hebben gestaan. Ik rijd door tot het einde van de betreffende straat, waar enkele grote struiken ‘ons’ uit de wind kunnen houden. Ik ben de enige auto in deze straat maar ik voel me nu beter op mijn gemak. Ik zit nog een tijdje voor de bus, in de zon en uit de wind, mijn huiswerk te doen. Er komt maar weinig verkeer langs, maar zo nu en dan komen er toch mensen voorbijwandelen. De struiken naast de bus hangen ruim over de stoep en iedereen die langs de bus wil moet zich smal maken om erlangs te kunnen. Ik meen sommigen op een afwijzende manier te zien kijken. Alsof ik hier niet mag zijn en me in hún ruimte bevindt. Zou dat gevoel komen doordat ik gisteren door de politie ben weggestuurd? Of omdat ik alleen ben? Ik denk lang na en slaap onrustig, de bus staat weer te schudden in de wind.

Op vrijdagochtend hoor ik de wekker pas als deze al een kwartier lang mijn favoriete liedje herhaalt. Ik haast me om me klaar te maken, maar als ik ga zitten voor het ontbijt belt Lisa om mij een goeie dag toe te wensen. Ik heb weinig tijd, maar wil wel graag nog even sparren over de Spaanse lessen. Onze stagiaire juf stemt voor mijn gevoel veel te weinig af op het niveau van haar studenten. Als ik iets niet begrijp lijkt ze gefrustreerd te raken. Ze gaat sneller praten en gebruikt daarbij dan nóg meer woorden die ik nog niet ken. Ik neem me voor om dit met haar te bespreken, want waarschijnlijk hebben we haar de volgende weken ook nog als onze docente. Als we het gesprek verbreken heb ik nog niet gegeten en ben ik dus wederom laat. Toch tref ik Lucia nog even alleen aan in het lokaal. Ik doe erg mijn best om duidelijk te maken dat mijn feedback niet persoonlijk bedoeld is. Ik vertel haar dat ik het fijn vind als ze wat langzamer praat en let op haar ‘woordgebruik’. Maar ik vrees dat mijn feedback minder onpersoonlijk is overgekomen dan ik had gehoopt. De rest van de ochtend is Lucia humeurig en reageert ze op mij duidelijk anders dan op de anderen. Een aantal keren spreekt ze haar instructies tergend langzaam uit, in mijn richting… Jammer, mijn goede intenties hebben niet het gewenste resultaat gehad. Misschien is het ook logisch en heeft het gewoon tijd nodig?

Na de les is er een gezamenlijk moment voor alle klassen: er is tapas, georganiseerd en klaargemaakt door een docent van de taalschool. Maar ik heb geen zin om gezellig te doen. Ik zoek de bus op en rijd naar Cap de Sant Antoni, een voor ons inmiddels bekende parkeerplek bij de vuurtoren, hoog boven de baai bij Xàbia. Als ik aan kom rijden zie ik een mooi plekje voor mijn camper. Inmiddels is het gaan stormen en volgens de weer-app zal het ook morgen en overmorgen blijven stormen. Ik kan echter achter de camper heerlijk uit de wind zitten. In het zonnetje zit ik mijn blog bij te werken als ik ineens een hond hoor janken. Het is alsof er iemand boven op hem is gaan staan. Ik ren om de camper heen. Een oude hond staat als aan de grond genageld te huilen als een wolf. In de verte zie ik zijn vermoedelijke bazin aan komen hollen. De hond stopt met jodelen zodra ik dichterbij kom. Hij kwispelt zowaar, maar blijft stokstijf op zijn plaats staan. Als ik hem roep komt hij dan toch voorzichtig mijn kant op. De vrouw neemt, zich verontschuldigend, de hond van mij over. Ik kijk ze lachend na. Haha, een hond die bang is om alleen te zijn.

Dan belt Lisa. Ze zit er even helemaal doorheen. Ze wil graag aan haar Spaanse contacten laten weten wat haar vervolgacties zullen zijn. Tegelijkertijd heeft Lisa een stapel nakijkwerk gekregen van de baas terwijl ze nog niet eens écht met het werk is gestart. Ik bied aan om voor haar de mailtjes te vertalen en zit de rest van de middag achter mijn laptop. Om half acht stuur ik Lisa een appje: “Heb je zin om even te kletsen?” Er komt echter geen reactie. In mijn hoofd ontspint zich een luguber verhaal dat zich afspeelt op de oppasboerderij van Lisa. Bij het vullen van de houtkachel heeft Lisa per ongeluk het deurtje open laten staan. Het is gruwelijk misgegaan. De politie wil me bellen, maar heeft mijn telefoonnummer niet. Ineens realiseer ik me hoelang het zal duren voordat ik in Nederland ben als er écht iets mis is. Een uur later krijg ik een berichtje van Lisa. Ze wil graag kletsen, maar ze zit toetsen na te kijken, ze moet nog een mailtje de deur uit doen én… ze moet nog hout op de kachel doen. Haha, als dat maar goed gaat!

Wat vind je van deze post?

Klik op een ster om dit verhaal te beoordelen!

Omdat je dit bericht interessant vond...

Deel dit verhaal op jouw sociale media!

Martin Hordijk

Bootleven

Dit is een serie verhalen over het leven aan boord. Over hoe we het roer hebben omgegooid. Over Lisa en mij. Alledaagse situaties op een humoristische en soms gevoelige manier. beschreven. Op termijn hoop ik dat deze verhalen een geheel vormen en dat ik een vorm vind om ze te publiceren.

In deze reeks

Overige reeksen

12 Reacties
  1. Rene

    Esa selfie en la segunda foto es muy útil. mantén a tu amigo torcido

    Antwoord
  2. Martin Hordijk

    Haha, in de tijd dat we geen van beiden Spaans spraken, begreep ik je veel beter! Maar het is de intentie die telt! ¿Sí o no?

    Antwoord
  3. Rene

    Dan ga ik vd zomer ook Spaans leren 🤪 adios amigo

    Antwoord
  4. Martin Hordijk

    Haha, qué alegria!!!

    Antwoord
  5. Lisa

    Martin ik vind dat je gewoon door moet gaan met het beschrijven van je avonturen! Je kan écht niet halverwege de rit stoppen! Als we een huis hebben én een plek waar mensen naar toe kunnen komen mag je pas stoppen! Enne heb je al geschreven dat we eruit gekickt zijn bij het Spaanse dorp?? Écht vet jammer, ik had er zin in!

    Antwoord
  6. Elwin

    Weer zo’n spannend bericht van Lisa waar ik natuurlijk alles van wil weten. En oh Martin wat leef ik met jou mee. Sterkte!

    Antwoord
  7. Femke

    Is dat het tv programma Lisa?

    Antwoord
  8. Jose

    Oh echt..olala.. geen Spaans dorp voor jullie dan. Zonde. Ik zag t al echt helemaal voor me dat alles daarmee in vliegende vaart kwam. Nou zeg..ze weten niet wat ze doen. Maar who cares, ook zonder Spaanse dorp gaat t lukken. Ik heb er vol vertrouwen in 🤙

    Antwoord
  9. Martin Hordijk

    Ah inderdaad ik heb het niet beschreven! Qué tonto soy! Terwijl ik zo’n zin had om met mij hoofd op t.v. te komen. Maar nee hoor, ik denk ook dat dat erg goed had kunnen uitpakken. Het had dingen denk ik inderdaad in een stroomversnelling kunnen brengen!

    Antwoord
  10. Klaar

    Hey Martin, ik kijk EEG uit naar je vervolg. Sterkte, en zoals mijn vorige manager zei: “ Geen groei zonder crisis”!

    Antwoord
  11. Klaar

    EEG = erg

    Antwoord
  12. Jacomien

    Hou van je broertje

    Antwoord

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

This site is protected by reCAPTCHA and the Google Privacy Policy and Terms of Service apply.